|
|
|
|||||||||||
|
Klingsor en de omvormende weg van het boze Onverwerkt karma in de anthroposofische beweging De vorige Bruisvat is er ingegaan op de niet tot in de daad werkelijkheid geworden driegeleding in de samenleving en enige oorzaken hiertoe, waaronder de interne spanningen in de antroposofische beweging . Nu zal op een stuk karma worden ingegaan binnen het eerste bestuur van de Algemene Anthroposofische Vereniging(AAV), omdat dit de nodige consequenties heeft voor nu, ondanks het feit dat dit niet of nauwelijks onder ogen wordt gezien. Een bitter brokstuk dat wacht op vertering. Inleiding In mijn boek ‘Esoterisch Christendom tot heden’ (1) zijn
enige globale karmische lijnen uitgezet van mensen die het eerste bestuur
van de nieuw opgerichte anthroposofische vereniging (1923) vormden en
die, elk hun eigen richting vertegenwoordigend, zich met de onder leiding
van Rudolf Steiner gestichte nieuwe mysteriën hebben verbonden. In
het boek is globaal aangegeven dat Rudolf Steiner daarmee vier hoofdstromingen
van menswording bijeen heeft gebracht, en ook hun hoofdvertegenwoordigers.
In dit artikel staat de persoon van Albert Steffen centraal, voorzitter
na Steiner’s dood in 1925, tot aan zijn eigen dood in 1964. (2)
Dit is met name belangrijk omdat hij bij uitstek een eenzijdig stempel
heeft gedrukt op de anthroposofische beweging als geheel, waarvan de werkingen
tot op de dag van vandaag nog zichtbaar zijn. Dit mede omdat hij in zijn
zog een sleep karmisch met hem verbonden mensen heeft meegenomen, alsmede
een zienswijze die nogal dominant is geworden. Veel mensen lopen hiertegen
op en haken innerlijk af. Incarnatielijn Steffen is een persoon die min of meer bewust (vanuit zijn hogere Ik) de weg van het kwaad heeft bewandeld, en daarna de weg stap voor stap terug tracht te vinden. Hij heeft daarbij een opponent die ook keer op keer tegenover hem komt te staan, als de complementaire pool van een koppel. De eerste keer afwijkend van de ‘goede’ weg verschijnt hij in het Joodse volk als koning Saul. Daar doet hij het een keer niet goed naar de zin van Jehova. Hij moet namelijk een volk verslaan, maar niet het kleinvee en de vrouwen met zich meevoeren. Als hij dit toch doet, moet hij van Jehova, hem meegedeeld via de profeet Samuël, van het toneel verdwijnen. Dit maakt hem razend, en hij probeert ook enige keren zijn opvolger in spé, de harpspelende herder David, te doden. Uiteindelijk sterft hij in de strijd, nadat zijn bewustzijn stap voor stap met grief en haat verduisterd is geraakt. Het is bevreemdend dat David eendere fouten maakt, maar hiervoor enkel wordt berispt. Dat kan enkel logisch klinken als je hierachter een andere sturing aanneemt dan louter van de feiten uit te gaan. Een volgende keer komt hij terug als de laatste rabbi-oude stijl die de Essener orde leidt. Zijn aanvankelijke leerling Yeshu Ben Pandira verzet zich tegen hem en vormt de orde zodanig om, dat deze het boeddhisme (3) op zijn meest zuivere wijze in zich tot uitdrukking kan brengen; 150 jaar later kan Christus gebruik maken van deze orde en diens huis in Jeruzalem. De rabbi wordt eruit gewerkt en komt weer buitenspel te staan. Dit is weergegeven in het laatste apocriefe bijbelboek van het Oude Testament, Makkabeeërs. Daarin vormen Yeshu Ben Pandira en vier van zijn leerlingen de ‘zonen van de weduwe’ (d.w.z. ingewijden) die door de Assyriërs zijn gemarteld en gedood op grond van hun Messiasverwachtingen. De zeven zonen Makkabeeërs en hun vader, de priester Mattathias, alsook de vijf ingewijden komen later terug als de apostelen van Christus. Ten tijde van Christus komt Steffen terug als diens eerste esoterische leerling (4), Stefanus, de latere eerste martelaar. Deze was innerlijk reeds ver ontwikkeld, had ‘het gelaat van een engel’, aldus de bijbel. Staande voor de Joodse raad echter, stookt hij na Christus’ dood en opstanding op fanatieke wijze de gemoederen hoog op door de Joden erop te wijzen dat zij Gods zoon hadden gedood en dus in de fout waren gegaan. Het lijkt erop of hij zich een glorieuze heldenrol heeft toebedacht door zich voor Christus te laten stenigen; hij lijkt er in elk geval willens en wetens op aan te sturen. Gevolg is echter dat dit de aanzet tot de christenvervolgingen is geweest. In de geestelijke wereld moet Christus zijn daad hebben afgewezen – dus weer een afwijzing, nu van de hoogste orde. Dit tot grote ontsteltenis van zijn ziel. De keer daarop, in de 4e-5e eeuw (5) keert hij terug als de Midden-Amerikaanse leider en later als god aangeno-men Taotl, die als zwartmagiër wordt erkend en de overwonnen mensen de harten laat uitsnijden. Zijn bewustzijn is dan overspoeld door de haat die is ontstaan uit verbittering omtrent het niet aannemen van zijn offers keer op keer door de ‘goede’ krachten en wezens in onze kosmos. Hier wordt hij overwonnen door een ander, komend uit het Oosten, namelijk Quetzalcoatl (‘Gevleugelde Slang’) die hem verslaat en de Indianen leert schrijven. (6) Daarmee werd gewaarborgd dat de over het algemeen in oostelijke richting incarnerende mensen niet dermate verbitterd zouden worden, dat zij in een volgend leven in Europa het christendom niet zouden herkennen en innerlijk aan kunnen nemen. In Europa is dit verhaal van de strijd tussen Taotl en Quetzalcoatl bekend gebleven in de overwinning van Siegfried op de draak, die in Amerika heeft plaats gevonden.
In een volgend leven, in de 9e eeuw, komt Steffen terug als Klingsor. Deze tracht aansluiting te vinden bij de graalridders, maar wordt ook hier weer afgewezen omdat hij niet de kuisheid uit zichzelf heeft verworven. Hij was namelijk ontmand door een ridder die hem in bed met zijn vrouw aantrof. De bitterheid om beide lotgevallen zet hem aan tot bedrijven van zwarte magie, waardoor hij een web spint vanuit zijn kasteel op Sicilië met draden over geheel West- en Midden- Europa, waarbij een deel van de leidende adel in hebzucht werd ingevangen, en zo niet het graal-gebeuren in zich op kon nemen. Zijn macht wordt gebroken door Gawain, één van koning Arthur’s ridders. En hierop kon toch door een groot deel van de toen leidende adel in Europa de verovering van de graal door Parcival innerlijk worden meegemaakt.
Weer een leven later, in de 14e eeuw, is hij Philips de Schone, koning van Frankrijk, die ingewijd wilde worden in de ridder-monnikenorde der Tempeliers – en dit grotendeels omdat hij op het goud en de rijke bezittingen van deze orde was gesteld. Hij wordt niet toegelaten, en omdat hij een schaduwpaus in Avignon had geïnstalleerd die naar zijn pijpen danste, liet hij de leiding van de Tempeliers aanklagen, martelen en op valse gronden veroordelen, hun orde verbiedend, zodat de bezittingen aan de staat toevielen (althans in Frankrijk). Tijdens deze martelingen wordt op een objectieve wijze Ahriman (de bijbelse satan) met het menselijke lijden verbonden; het fenomeen waarbij wezens c.q. demonen bewust zich verbinden met één van de diepste vormen van kwaad: het genieten van martelingen en zichzelf er mee voeden. (7)
Een hieropvolgend leven was hij Ignatius van Loyola, een Spaanse legeraanvoerder die op het ziekbed als gevolg van zijn verwondingen beelden van het Christusleger kreeg, hierop zijn militaire carrière vaarwel zei en de monnikenorde der Jezuïeten opzette. De inwijdingsweg die hij hierbinnen opstelde, leidde onder andere tot beelden van het werk van het boze, wat de ziel van de monnik-wijdeling kon doen schrikken, en daarnaast beelden van de strijd hiertegen van de scharen van Christusstrijders. Dat maakte de monniken nogal fanatiek, altijd het boze buiten zich ziend ofwel plaatsend, en altijd op zoek naar de zondebok, met alle inquisitiegevolgen van dien (die overigens niet door hen zijn begonnen). Ook is typisch voor Jezuïeten dat zij neigen met twee maten te meten; zij dragen innerlijke kennis, veelal vanuit de beelden die zij bij hun inwijding hebben gezien met daaraan gekoppelde verklaringen, maar dragen hiervan niets naar buiten. Hun doelen liggen bij de eigen innerlijke cirkel (waarvan ook het Vaticaan weet heeft), maar zijn voor buitenstaanders verborgen. Naar buiten toe hebben zij andere verhalen, met een zekere wilssturing ( je kunt dit ook manipulatie noemen). Toch is hier wat betreft de individualiteit van Steffen al een tweede stap te onderkennen in de richting terug naar het goede; de eerste is als Klingsor die aansluiting zoekt bij de graalsridders – ook al liep dit streven dan spaak. Als Ignatius stelde hij zichzelf en zijn orde in dienst van de kerk, en was niet zelf de sturende leider hierin.
Een derde stap in deze richting was zijn leven als Emmanuel Swedenborg, de beroemde Zweedse na-tuurwetenschapper uit de 18e eeuw, die meer en meer een ziener werd. Zijn ‘Hemelse Verborgenheden’, vervat in een serie van zo’n 20 dikke boeken, bevatten waarnemingen van diverse engelen en hun bood-schappen aan de mensen die Swedenborg weergaf. Dit heeft nog wel een tamelijk dwangmatig karakter, waarin de oudtestamentische vermanende vinger meermalen wordt geheven indien de mens niet naar die boodschappen luistert. Er is nog weinig vrijheid in zijn relatie tot de engelen. En bij de vierde stap in deze richting, als Albert Steffen, verbindt hij zich met zijn Jezuïeten-lotsverwanten met de nieuwe mysteriën. Rudolf Steiner’s uitspraak dat je Klingsor beter voor dan tegen je kunt hebben, komt hiermee in een ander daglicht te staan. Steiner heeft hier, aanvankelijk waarschijnlijk niet volbewust, daadwerkelijk naar gehandeld en biedt Steffen een handreiking om weer mee te kunnen komen binnen het esoterische christendom. Steffen werd vice-voorzitter en hoofdredacteur van het verenigingsblad. Steffen was de enige Zwitser in het bestuur van de AAV, die in Zwitserland gesticht is. Steffen was toen al redelijk populair in eigen land om zijn dichterlijke werk. Ook Steiner kon het kunstzinnige werk van Steffen zeer waarderen en trachtte het keer op keer te promoten.
Na Steiner’s dood heeft Ita Wegman, een ander bestuurslid, aan de graalsonderzoeker W.J. Stein te kennen gegeven dat Klingsor diep verankerd is in de Vereniging, waarbij zij Stein waarschuwt zich niet te zeer met diens individualiteit bezig te houden. (8) De ruzies binnen het bestuur lopen dan al hoog op, en Wegman heeft geweten wat daarachter lag. Steeds sterker speelde het spanningsveld tussen een sterk centralistische en ordelijke visie op de voortgang van de AAV en de roep van anderen die een grotere vrijheid in benadering voorstonden. Stap voor stap kregen de eerstgenoemden hun zin en culmineerde de hele zaak uiteindelijk in het ontslag van de twee bestuursleden Ita Wegman en Elizabeth Vreede, het verwijderen van de complete Engelse en Nederlandse anthroposofische verenigingen, alsmede het royement van grote ledenaantallen in Duitsland. Dit gebeurde op de algemene ledenvergadering in 1935. (9)
De Algemene Ledenvergadering van 1935 In Steiner’s tijd had de ALV helemaal niet de bevoegdheid om leden uit te sluiten en bestuursleden te benoemen. Deze mogelijkheid was door de secretaris en jurist in het bestuur Günther Wachsmuth met steun van Steffen en Steiner’s weduwe Marie Steiner, stap voor stap bewerkstelligd door de aanvankelijke oprichtingsstatuten te veranderen. Ook werden ledenvergaderingen steeds vaker ad hoc bijeengeroepen, waardoor vooral de Zwitserse aanhang van Steffen aanwezig kon zijn. Met name Steffen riep regelmatig uit dat hij de wijze van anthroposofie bedrijven van anderen zo niet langer kon verantwoorden en dreigde in de loop der jaren meerdere malen met opstappen. Hij wekte daarmee, gesteund door Marie Steiner en Günther Wachsmuth, op ledenvergaderingen de sug-gestie dat met zijn opstappen de hele vereniging in elkaar zou zakken. Een en ander had tot gevolg dat er tijdens ledenvergaderingen steeds vaker een bepaalde stemming met grote gemoedsbewegingen ontstond. Mensen konden bovendien zonder meer aan het woord komen en de meest persoonlijke roddel en achterklap uiten, zonder dat er werd ingegrepen door voorzitter Steffen. Zo kreeg met name Ita Wegman het stelselmatig zwaar te verduren. (10) Door een grote groep mensen werd in 1934 nog een uitdrukkelijke wilsverklaring ondertekend die neerkwam op de wens om toch met zijn allen door te gaan vanuit de geest van de verenigingsoprichting rond Kerst 1923. Hierop kwam direct de kritiek dat die ondertekenaars nu juist de oorzaak waren van alle problemen en de laatste fase trad in. Een boek verscheen, het zgn. ‘Denkschrift’, waarin een grote hoeveelheid bewijsmateriaal tegen Wegman, Vreede en onder meer de voorzitters van de Nederlandse en Engelse vereniging was vervat. Het was gefinancierd door de AAV en verscheen drie weken voor de cruciale ledenvergadering zodat er geen tijd meer was om de inhoud tegen te kunnen spreken. Het werd op grote schaal verspreid. Het klapstuk vormde de vergadering in 1935: de zaal, ingesteld op 1000 personen, was afgeladen vol met 1800 mensen. De laatste statutenverandering was gereed gekomen (dit bleek nog een juridisch struikelblok in 1934) en het afstemmen kon beginnen. Uitslag: 1691 voor uitsluiting, 76 tegen, 53 onthoudingen. De overgeleverde verhalen over die bijeenkomst doen nog het meest denken aan de sfeer van een totale massapsychose. Na afloop van die en ook de eraan voorafgaande vergaderingen hebben verschillende leden terugkijkend aangegeven het gevoel te hebben gehad dat zij betoverd zijn geweest tijdens deze bijeenkomsten, alsof hun gevoel hun wil in een bepaalde richting heeft gestuurd. (11) Dat was nu precies wat Klingsor met de adel van Europa in de 9e eeuw had gedaan. Daarmee was een stuk karma tussen Klingsor en Gawain. (12) ingelost, namelijk de strijd die tot dan toe altijd door de laatste was beslecht, dit keer echter niet. Dat is een bepaalde wijzing naar de toekomst, waar goed en kwaad niet meer zo eenduidig te onderscheiden zijn en de verantwoording hiervoor bij het afzonderlijke individu in plaats van bij de leidende persoonlijkheden wordt gelegd. (13) En hier ligt ook een stuk in te lossen en om te vormen karma binnen de Anthroposofische Vereniging, daar Albert Steffen vele van zijn lotgenoten met zich mee heeft genomen; deze nemen nu een aantal sleutel-posities in binnen de Anthroposofische Vereniging, mede omdat Steffen en de kring van mensen die hij om zich heen heeft verzameld, een bepaalde toon gezet hebben voor de verenigingscultuur (die slechts een beperkte groep aanspreekt). Daarbij is opvallend dat de grootste schreeuwers die anderen als slecht of Jezuïet neigen te bestempelen, waarschijnlijk sterk hun eigen karmische achtergrond hierin overschreeuwen, daar het innerlijk pijn doet wanneer je eraan wordt herinnerd een minder glansrijke rol in de mensheidsontwikkeling te hebben gespeeld. Het is eigenlijk bij uitstek de meegebrachte houding van een ex-Jezuïet dat hij het kwaad buiten zich neigt te zoeken. Het is al een belangrijke stap in de ontwikkeling en inlossing van karma wanneer een dergelijk schreeuwend mens eerst de dubbelganger en dus het ‘boze’ in zichzelf zoekt en tracht om te vormen, alvorens het overal buiten zich menen te zien en te bevechten. Het is belangrijk voor mensen die vanuit een andere karmische richting komen om dit weten in hun achterhoofd te houden en zichzelf in verhouding tot die heersende cultuur te kunnen plaatsen. Ook dit kan een stap zijn om de ander in zijn anders-zijn te leren onderkennen en een weg tot hem of haar te vinden. Dat biedt mogelijkheden om het nodige oude karma op te lossen en om te vormen. (14) Noten (1) Esoterisch Christendom tot Heden, Rune-uitgave 1999. Bruisvat 6, winter 2001/2002 Terug naar bron
Terug naar home page
|
Zie verder:- Geesteswetenschap: * Astrosofie, astrofonie, astrognomie *
- Objectieve Kunst: * Muziek * Muziektheatergroep LaukaR Unja
- Morele techniek: * Sieraden
- Agenda
|