|
|
|
|||||||||||||
|
Morele techniek deel 1 Van onpersoonlijke naar een morele techniek door Nicolaas de Jong In de huidige samenleving wordt techniek als nuttig, soms als noodzakelijk kwaad gezien. We schaffen het ons al of niet aan, en gebruiken het waar we dat nodig vinden. De bijverschijnselen nemen we voor lief omdat er geen of weinig alternatieven voorhanden lijken te zijn. Hieronder schildert Nicolaas de Jong hoe we een ander zicht op techniek kunnen krijgen die samenhangt met de ontwikkeling van onszelf. Daartoe schildert hij enige voorbeelden van voorbereiders op de weg naar een nieuwe techniek. Een ongebruikelijke tegenstelling De huidige techniek is op ongeveer het volgende principe gegrondvest: een pienter mens observeert de natuur, herkent er een bepaald werkingsprincipe in, abstraheert dit principe er los van zijn voorkomen uit, en past het dan toe in een speciaal daarvoor ontworpen stuk gereedschap of machine. Een vrij recent voorbeeld is het vliegtuig. Uit het waarnemen van het vermogen tot zweven van een vogel en diens stijgen met toenemende wind of thermiek, is het gangbare vliegtuig ontwikkeld. Sommige van de eerste vliegtuigmodellen hadden klapperende vleugels, als imitatie van de ritmische vleugelslag van een opstijgende vogel. Deze modellen zijn alle verongelukt, zo ze al los van de grond kwamen.
Juist de modellen met starre vleugels maar voldoende voorstuwend vermogen om snelle wind te imiteren, bleken op den duur praktisch toepasbaar. Hier zijn twee principes van het vliegvermogen van de vogels, namelijk de wind en het zweven, tot basis voor het huidige menselijke vliegen geworden. Dit is ten koste gegaan van andere vermogens, bijvoorbeeld het kunnen landen op een bepaalde plaats, zoals de meeste vogelsoorten op een tak kunnen landen met hun ritmische vleugelslag. Daarom is een start- en landingsbaan onontbeerlijk.
Deze vliegtechniek, met zijn door de tijd heen verfijnde stuurmechanisme, kan door iedereen worden toegepast, ongeacht of hij al of niet die principes kent. En dit is tekenend voor het leeuwendeel van onze techniek in het algemeen: er wordt een stuk kracht vanuit inzicht toegepast, dus het stamt uit de wil en een stuk denken over waarnemingen. De toepassing in een stuk techniek is onpersoonlijk, kan los komen van zijn uitvinder en maker(s), en in principe door iedereen worden bediend en toegepast. Zo is de situatie ontstaan dat er technieken beschikbaar zijn die voor alle mogelijke nutstoepassingen ingezet kunnen worden, waarbij niet duidelijk is wie of wat bepaalt voor welk doel, en op welke manier. Daarin schuilt ook het hete hangijzer dat zich steeds duidelijker aftekent in onze cultuur; het kan voor goede en bedenkelijker doelen worden aange-wend. En ook schuilt er de moeilijkheid in, dat goed en bedenkelijk altijd relatief zijn en niet zo makkelijk herkenbaar in hun uitwerkingen. De gevolgen van gentechnologie op mensen gaan definitief verder dan het oordeelsvermogen van veel mensen. Denk ook eens aan burgerluchtvaart en moderne oorlogvoering met Awacs en afstandsgestuurde bommen uit vliegtuigen; de bereikbaarheid van vrijwel elke aardse bestemming en de aantasting van de ozonlaag. De moderne techniek geeft een uitbreiding van de menselijke vermogens, van zijn wilsuitingen dus, maar mist in zichzelf het vermogen tot morele toetsing. En de morele toets schuilt bij de mens in het hart, daar waar de menselijke geest en ziel aangrijpen en de gevoelens omtrent een daad of zich aan een mens voordoend verschijnsel kunnen ontvonken. Deze gevoelens en morele oordelen zijn juist dat wat de mens als afzonderlijk individu laten beleven; maken hem en zijn daden persoonlijk. Vandaar ook dat er eigenlijk geen algemene gedragscode voor moderne techniek is te ontwikkelen, hoezeer ook de reclamemakers op de wensen en voorkeuren van hun potentiële klanten trachten in te spelen, en politieke leiders aan een gemeenschappelijke ethiek willen appelleren. De huidige techniek mist aan gevoelsgebonden morele afwegingen in zichzelf. Het is er eenvoudig, en geeft een specifiek vermogen aan de mens, dat daarmee binnen de technische beperkingen, zoals brandstofvoorraad, voor iedereen toegankelijk is. Er komt daarmee een economisch aspect bij, en ook dit wijst naar de wilskant van het menselijke bestaan; door productiviteit, meestal verrichte arbeid, kan men de aarde en leefomgeving zodanig bewerken dat er een overschot aan productie komt waarmee men zich een stuk techniek, dat is wilsverlenging, kan veroorloven.
Het specifieke vermogen dat een stuk ontwikkeld techniek presenteert, wijst op nog iets anders, namelijk op datgene wat de mensen over het algemeen nog niet kunnen, maar in een verre toekomst zullen kunnen ontwikkelen. Zo kan ieder mens in zijn dromen en gedachten op een andere plek op aarde zijn dan hij op dat moment in levende lijve is, maar hij moet zich zonder technische hulpmiddelen, zoals boot, vliegtuig, auto, veel moeite getroosten om er ook daadwerkelijk te komen. De tijd wordt door dit soort techniek ingekort, de gewenste plaats dichterbijgehaald. De visuele techniek van bijvoorbeeld TV, video en computer-simulaties, duidt op het toekomstige vermogen van de mens om in beelden te kunnen denken en waar te nemen, dus op het helderziende vermogen. Wat helderziende wordt waar-genomen, speelt zich echter niet in de fysieke werkelijkheid af, en ook het beeldbewustzijn en denken zelf hebben slechts een minieme fysieke basis (het uitkristalliserende hersenzand in de hypofyse) in tegenstelling tot de huidige visuele techniek, die in de uitgebreide apparatuur een elek-trische spanning als voeding nodig heeft. De telefoon is voorbode in het fysieke van ooit te ontwikkelen helderhorende, inspiratieve, ‘telepathische’ gaven. De huidige techniek neigt dus toekomstige ontwikkelingen van de mens te vervroegen. De uitgedachte werkingsprincipes die als wilsvermogens worden toegepast, zijn geabstraheerd van de natuur, en hierin hebben persoonlijke gevoelens en daarmee verbonden morele oordelen geen plaats. Hoe verloopt dan de rechtmatige ontwikkeling van de mens? Volgens mij kun je die op volgende wijze benaderend definiëren. Ieder mens komt op aarde met specifieke karaktertrekken, bepaaldheden van constitutie en temperament die hem mee kunnen helpen of in de weg kunnen zitten, bepaalde talenten en onkundes, een specifieke individuele wijze van denken en doen, specifieke voor- of afkeuren, en met deze bepaaldheden kan hij of zij er gaandeweg zijn leven achterkomen wat hij of zij specifiek wil ontwikkelen, en wat hij laat liggen omdat het minder zijn interesse wekt. Goed beschouwd, kan ieder voor zich een plan in het eigen leven ontdekken dat men wil uitvoeren om zich mee of aan te kunnen ontwikkelen. Kortom, van de individuele bepaaldheden en voorkeuren werkt men aan een specifiek onderdeel van de aardse werkelijkheid, waarmee men zich uiteenzet, dat men vanuit zijn idealen tracht vorm te geven of om te vormen, en daarmee zichzelf nieuwe inzichten, houdingen en vaardigheden aanleert. Dit doet ieder voor zich op individuele wijze. Ieder kan de voldaanheid voelen wanneer men na worstelen iets voor elkaar heeft gekregen uit eigen kracht; er is dan iets in de ziel dat zich vervuld voelt, en men weet dat men zich iets nieuws heeft verworven. Het gevoel zegt dat het denken (het inzicht) en de wil (de kunde) zijn verrijkt. Heeft men inzicht in een bepaald probleem verworven uit eigen kracht door erin te doen, dan is dat iets anders dan wanneer men de oplossing al kant en klaar van buiten krijgt aangereikt, bijvoorbeeld door een stuk reeds ontwikkelde techniek, zoals een door anderen uitgedacht computerprogramma. En al doende heeft men vaak morele oordelen en keuzes kunnen maken op grond van wat het geweten en daarmee verbonden gevoel voor waarheid heeft toegefluisterd. Men heeft zo zelf een stuk technische vaardigheid ontwikkeld – en dit gaat op voor elk levensgebied. Dit doet men vanuit de eigen morele oordelen en binnen de gegeven situatie. Men ontwikkelt zogezegd zijn eigen stuk morele techniek, waarover men zelf meester is. Belangrijk is dat het vermogen tot gewetenstoetsing hier een voorwaarde is om tot de ontwikkeling van een innerlijk vermogen te kunnen komen. Dit wil niet zeggen dat het gebruik van huidige technische vondsten per definitie mis is; men dient zich bij het gebruik ervan enkel goed te realiseren dat men makkelijk een stuk eigen ontwikkelingsvermogen laat liggen. Kijken we naar de toekomst. Rudolf Steiner geeft aan dat ooit de mens een techniek zal ontwikkelen waarbij hij bepaalde tonen uit zijn levenslichaam, dat is die constellatie van vormkrachten die specifiek ons fysieke lichaam doet groeien en bijeenhoudt, voort zal brengen. Die tonen kunnen worden opgepikt door voorwerpen en machines, welke het gewenste wilsgebaar, dus effect in de fysieke wereld, teweeg zullen brengen. Door middel van klank en het sympathisch meebewegen van voorwerpen, zullen de mensen werkingen teweeg kunnen brengen in de gewenste richtingen; door middel van daartoe ontwikkelde voorwerpen en machines die mee gaan resoneren. De levenskrachten huizen ook in de ons omringende natuur, en onderhouden daar de verschijnselen. Wie dit inziet en ervaart, zal het niet vreemd vinden dat een mens vanuit eendere krachten in zijn levenslichaam iets in de fysieke wereld teweeg zal kunnen brengen. Hetzelfde gebeurt nu al enigszins, wanneer we door onze gemoedsstemming de atmosfeer in een kamer kunnen veranderen; een vrolijke grap op het juiste moment kan een gespannen situatie doen oplossen, een rotopmerking kan vrolijkheid in wanhoop doen omslaan, en zelfs een woordeloze slechte bui van iemand kan de sfeer danig beïnvloeden. Dat zijn allemaal zielsmatige werkingen die van iemand uit kunnen gaan en de levenskrachten kunnen beïnvloeden. Wie kent niet de bevrijdende ontlading wanneer iemand in een gespannen atmosfeer een glas kapot laat vallen? Soms kan het glas als vanzelf springen, als gevolg van die spanning. De stemming komt voort uit de ziel, waar de gevoelens huizen; de uitwerking in de kamer vindt plaats in de levenswereld, en hangt met de wil samen, want het kan fysieke verschijnselen voortbrengen, welke we door middel van onze zintuigen kunnen waarnemen. Een stap verder is wanneer iemand een gedachte, idee of inzicht dusdanig verdicht heeft dat hij het aan anderen kan overdragen: dan kan dit bij anderen gevoelens opwekken in de ziel, en werkingen in en vanuit het levenslichaam, waardoor men kan worden aangezet om voor of tegen dat idee te gaan praten of doen. Het inzicht heeft men in het denken, het idee kan bevuren of doen verkillen; heeft dus zelf met de warmte te maken – enthousiasme kan warmte en beweging voort brengen. De menselijke geest bedient zich van de warmte.
Nu kan men door zelfobservatie bij de uitvoering van een gedachte of wilsbesluit (dat in het denken plaats vindt, en door het geweten kan worden getoetst) tot de volgende bevindingen komen. Het wilsbesluit tot uitvoering drukt zich als warmte-impuls af in de ziel, en deze begint op te klinken in verschillende tonen, die in hun intervalwerkingen de mate van sym- of antipathie als gevoelsbelevingen spiegelen (bij pure antipathie, dat is dissonantie, komt men niet tot een daad). De warmte dooft uit, en staat op in de (muzikale) impuls die de aparte tonen en hun ritmische verschijnen genereert – wat in de muziek wordt genoemd het muzikale motief. Deze toonreeksen drukken zich vervolgens af in het levenslichaam, en vragen deze zo om op specifieke wijze in beweging te komen. Bij voldoende sympathisch gevoel, zodat het kan meebewegen, doet het lichaam dit, en drukt zich op zijn beurt weer af op de spieren in het fysieke lichaam. Hierop wordt de idee of het besluit tot de daad uitgevoerd. Dit gebeurt bij elke handeling die we verrichten, zij het dat het proces veelal onbewust verloopt. Trekt men dit proces in de voorstelling door, dan kan men zich ook indenken dat men zich zodanig met voorwerpen en verschijnselen in de omgeving kan verbinden, dat men hun werkingen leert begrijpen. Men kan zo leren ‘horen’ hoe hun werkingen zijn (bedoeld is hier het ‘helder horen’ van de inspiratieve klankstroom doordat men zich intens leert inleven in de eraan ten grondslag liggende processen). Vervolgens kan men deze processen ook innerlijk mee leren gebaren in de ziel, wat dan de tonen opwekt. Om de werking in de omringende wereld te versterken, kan men voorwerpen maken die al of niet geleed zijn, die het innerlijke gebaar al enigszins in zich hebben, zodat de klankstroom waarin zij mee kunnen bewegen (resoneren) door hen versterkt kan worden en zij in de fysieke wereld actie kunnen uitvoeren. Zo ontstaat dus een stuk techniek in en vanuit de levenswereld, dat een verlengstuk is van de eigen wil en werktuigen daartoe in het fysieke lichaam. Doordat het gebaar echter geheel doorvoeld en doorwerkt is door de ziel, waar het geweten huist, heeft men de mogelijkheden en onmogelijkheden ervan kunnen onderkennen, alsook de gevolgen ervan kunnen overzien in de omgeving. Men heeft het stuk techniek doorgeestelijkt en verindividualiseerd. Wel kan men het overdragen op anderen, maar enkel door hen de inlevende technieken bij te brengen. Een dergelijke morele levenstechniek is daarmee enkel toepasbaar door men-sen die de innerlijke vaardigheden ertoe al hebben ontwikkeld, en is dus eerder persoonlijk dan algemeen-menselijk. Men kan natuurlijk inbrengen dat dit dromelarijen zijn. Echter zijn uit de oudheid, en ook in deze eeuw, nog beschrijvingen bekend van werkingen in en vanuit klank op de fysieke wereld. Denk aan de val van de muren van Jericho door de Joden door middel van zang, zoals beschreven in het oude testament van de bijbel. In deze eeuw heeft de vliegtuigbouwkundige ingenieur H. Kjellson een verslag gegeven van de bouw van een boeddhistisch klooster in de bergen van Tibet, waarbij klank, door de monniken voortgebracht, de stenen, die soms een ton zwaar wogen, over een afstand van 500 meter omhoog deed bewegen. Ongelofelijk maar waar – hij begreep er zelf weinig van.(1) Blijkbaar zijn er technieken bekend geweest aan de mens waar we nu weinig weet meer van hebben. Gurdjieff, een Rus die begin deze eeuw na lang zoeken in een verborgen kloostergemeenschap in de Gobi-woestijn terecht kwam, vertelde dat hij zo met klank had leren omgaan, dat hij op 50 meter afstand een jak dood kon laten gaan door diens wezenseigen klank uit te roepen. Ook de Egyptische piramiden worden geacht met behulp van klank te zijn gemaakt.
Nu kennen wij in onze techniek ook de principes van klank en gebaar, bijvoorbeeld in sturing over telefoonkabels met behulp van geluidspulsen, en van besturingstechnieken als vliegtuigstuurknuppels. Deze impulsen en gebaren worden echter veelal door elektriciteit overgebracht, en naar onpersoonlijke krachten in bijvoorbeeld de vliegtuigmotoren overgebracht, die door ieder mens in principe zijn te bedienen (al kan niet iedereen dat even goed). Elektriciteit is in de materie gevallen licht, en hierin is het mechanisch geworden, en daarmee onpersoonlijk. Het onttrekt zich aan onze directe zintuigwaarnemingen.
Pioniers in levenstechnieken Er zijn met name vier individuen die zich vorige en deze eeuw intensief met nieuwe technieken hebben bezig gehouden, welke direct in en vanuit de levenswereld werkzaam waren – ook al waren ze zich hier niet alle even duidelijk van bewust. Nikola Tesla Nikola Tesla (1856 – 1948), een Serviër van geboorte, had in de VS grote successen als elektrotechnisch ingenieur.(2) Hij is onder andere de uitvinder van de wisselstroomdynamo en dito motor; hij heeft een grote invloed gehad op de huidige cultuur. Hij had het vermogen om werkingen der verschijnselen helderziende, in beelden waar te nemen, en vertaalde dit in meest elektrotechnische toepassingen. In dezelfde tijd dat Einstein zijn verband tussen energie, massa en lichtsnelheid in zijn bijzondere relativiteitstheorie formuleerde (de gevleugelde formule E = mc2), presteerde Tesla het om met elektromagnetische trillingsfrekwenties te werk te gaan die veel hoger waren dan de lichtsnelheid, en daar-mee tot machines en werkingen te komen die ver boven de gangbare theorievorming en natuurwetenschappelijke observaties uitgingen.
Frappant is een op zichzelf bewegende machine, waarvan hij aangaf dat deze op de krachten van twee planeten bewoog (levenskrachten dus), en waarvan hij voorspelde dat het bij een specifieke stelling van die planeten ten opzichte van elkaar zou stoppen. Wat ook daadwerkelijk gebeurde. Jammer van zijn werk is dat hij alles vertaalde in elektrische of elektromagnetische werkingen, wat toch een stuk gevallen, ondernatuur is, een meebewegen met de levenswereld, maar van onderen af. Tekenend voor zijn werk, en ook voor zijn morele gehalte, is het volgende. In 1907 lukte het hem om in zijn laboratorium op Long Island in de buurt van New York de grote elektrische ladingen uit de stratosfeer naar het aardoppervlak toe te trekken – een werkelijk groot en ongekend potentiaal, dat direct de energievoorziening van een land als de VS zou kunnen voldoen.
Er ontstonden spectaculaire kleurverschijnselen in de atmosfeer als gevolg van die grote ontladingen, die tot in de stad New York waren te zien. Het was zijn bedoeling om dergelijke stations op verschillende plekken op aarde te bouwen, waardoor de aarde in een geometrisch oscillerend elektromagnetisch systeem zou kunnen worden gebracht. Tesla zag kort hierna zijn geliefde witte duif, die hij als een beeld voor de geest ervoer, zag sterven. Hij nam deze waarschuwing serieus en zette in de resterende 40 jaren van zijn leven geen voet meer in dat laboratorium. Wilhelm Reich Wilhelm Reich (!897 – 1957) was een Oostenrijks bioloog die zich een tijd aansloot bij de school van Freud, maar zich hier later ook weer van distantieerde. (3) Reden hiervoor was zijn onderzoek naar levensprocessen in verband met sexualiteit en hun verhouding tot de menselijke psyche. Hij ontdekte dat er in de energie-opbouw van levende organismen vier fasen zijn te ontdekken: 1. een opbouw van verwachting (in de ziel), 2. een toename van spanning (in het leven), 3. een meer of minder krachtige ontlading (beleefd in de ziel) en 4. een tijd van ontspanning en harmonie (in het leven). Deze vier fasen wisselen elkaar af. Zij komen voor van eencellige organismen (met kloppende vochtblazen, vacuolen) tot aan de mens, die in zijn orgasme deze ontlading het meest direct kent. Eigenlijk liggen deze vier fasen ten grondslag aan elke natuurlijke trilling. Het niet opeenvolgen van de vier fasen kwam Reich tegen bij verschillende typen patiënten. De orgonomie die hij hieruit ontwikkelde, leverde hem kritiek op van Freud en de zijnen, die inmiddels een andere visie op sexualiteit en psychopathologie hadden.
Interessant is dat Reich, ook in de VS, later een machine ontwikkelde die uit de Rocky Mountains komende wolken met een sterk negatieve lading en uitstraling op mens en natuur, die een streek dagenlang lam konden leggen, wist te ontkrachten door de eraan missende fasen toe te voegen. Hij kon aldus deze wolken beïnvloeden. Verder ontwierp hij vooral machines die kosmische stralen opvingen, maar deze waren ontwikkeld voor vooral therapeutische doeleinden. Met zijn vierfasige theorie heeft hij sterk bijgedragen aan onderzoek tussen de verhouding van het zielsmatige en de levenswereld. Viktor Schauberger Viktor Schauberger (1885 - 1958), ook Oostenrijker, was een tijdlang boswachter in de toen nog oerbossen van de Alpen(4) Hij kon zeer nauwkeurig waarnemen aan levensprocessen. Daarna leerde hij voor technisch ingenieur, nam echter zijn inzichten in de werkingen van de natuur met zich mee in zijn werk. En lag mede daarom vaker in de clinch met vakgenoten, die vooral van louter rechte lijnen en wiskundige formules neigden uit te gaan. Het leven gedraagt zich anders. Bij een van die uiteenzettingen, onder druk gezet doordat hij niet serieus werd genomen, beschreef hij de optimale levenswerkingen van water wanneer het beweegt in een spiraal, namelijk ‘als een urinerende berin die rent’. Later werd hij door de Nazi’s gedwongen om deze spiraaltechniek toe te passen op vliegende schotels. Dat lukte vrij aardig, want de modellen vlogen enige keren door het dak van de fabriekshal waarin werd geëxperimenteerd (mogelijk boycotte hij de Nazi’s door te doen voorkomen dat hij die machines niet kon besturen). Gelukkig zijn ze niet toegepast in de 2e Wereldoorlog.
Een andere belangrijke vondst van hem was de waarneming dat de levenskracht van water optimaal is tussen de 0 en 4o C: deze levensstroom beweegt in tegen de waterstroming. Forellen en zalmen maken hiervan gebruik wanneer zij stilstaan in een snelle stroom, of tegen een waterval opspringen. Dit onderzocht hij door een hoeveelheid warm water stroomopwaarts in een beek te laten gooien, en zelf het effect op in de stroom haast bewegingsloos staande zalmen te observeren. Wanneer het warme water bij een zalm komt, wordt deze mee afgevoerd, en heeft grote moeite om weer op zijn uitgangspositie terug te kunnen keren. Dit omdat blijkbaar de levensstroom door de warmte wordt onderbroken. Hij wist waterviaducten te construeren die meanderden uit de bergdalen naar beneden, waarin maar een dun laagje koud bronwater nodig was om dikke boomstammen te kunnen transporteren. Gevolg van toepassing van deze uitvinding was roofbouw van de Europese bossen, wat hem flink heeft doen verbitteren. Aan het einde van zijn leven hebben de Amerikanen hem min of meer afgedwongen zijn inzichten aan hen als patenten te openbaren en verkopen. Korte tijd hierop stierf hij, nogal verbitterd en vertwijfeld over dit misbruik. Net als bij de andere drie ging ook van hem een sterk morele werking uit op andere mensen. Mijns inziens maakte hij de vergissing dat hij wel uitging van de levenswereld waaruit de natuurkrachten stamden, maar niet dat het hierbij om wezens gaat die deze krachten voortbrengen, onderhouden en sturen (door Steiner worden zij elementgeesten genoemd). Eenmaal beschrijft hij namelijk dat hij in een bosmeer wilde baden. Opeens kwam het water ervan hevig in beweging, kolkte, trad buiten de oevers en nam onder andere boomstammen op de oever in zich op. Schauberger schrok en vluchtte. Later noemde hij dit het zelfreinigende vermogen van een meer, als zou dit iets mechanisch zijn dat van tijd tot tijd zich voordeed. Zeer waarschijnlijk was echter het elementwezen van het meer, de meer-nymf, boos op hem omdat hij haar niet als zelfstandig wezen wilde zien en erkennen. Dat de Amerikanen met zijn inzichten in de levenswereld niets openbaars hebben gedaan, is natuurlijk zeer bedenkelijk. John W. Keely De laatste te bespreken pionier is John W. Keely (1837 - 1898).(5) Hij was aanvankelijk muzikant, legde echter dat beroep neer en begon de werkingen van klank op de levenswereld te onderzoeken. Hij maakte ook daadwerkelijk, na vele mislukte pogingen, een motor die door klank in gang werd gezet en in beweging bleef. Echter alleen met hem in de buurt; de machine werkte op zijn eigen levenskrachten.
Nu staan de modellen verstild in een museum als curiositeiten opgesteld. En deze machine is een aardig voorbeeld van wat Steiner heeft aangegeven over toekomstige techniek, die werkt vanuit tonen van het menselijke levenslichaam. Keely ging in zijn werk met klank uit van de natuurlijke reeks van boventonen, die bij elke trilling meeklinkt. Vooral het 1e, 3e en 6e octaaf van boventonen waren voor hem speerpunten van aandacht. Mogelijk dat in hem zich hierin oude Chinese wijsheid openbaarde, meegenomen als inzichten uit een vorig leven. De Chinezen werken met de ‘chi'. De levenskracht stroomt uit van de zesbladige lotusbloem die net onder de navel ligt. In zijn theorievorming omtrent trilling werkte Keely met vier à vijf bereiken van boventonen, te beginnen bij 1 trilling per seconde (= 1 Herz, afkorting Hz). Hun werking is globaal gezien: 1e – 21e octaaf Geluid Hij kreeg vanuit zijn klankprincipes opmerkelijke wilsverbeteringen voor elkaar. Enige voorbeelden zijn een machine die graniet en kwarts kon doen versplinteren, desintegreren; werd toegepast in de goudmijnbouw. Hij kon zware gewichten door klank met de hand verplaatsen. Bij veel van zijn instrumenten gebruikte hij een zogenaamde ‘liberator’ die de klanken door middel van trillingsplaatjes van verschillende lengte op-octaveerde in het trillingsgebied waarin hij de werking optimaal vermoedde, daarbij telkens de 3e en 6e oktaafstrillingen optimaal versterkend; en een draad, genaamd ‘trexnar’, waaraan hij 8 jaren werkte, die bestond uit een speciale samenstelling van zilver, goud en platina, welke de levenskrachten volgens zijn zeggen van het ene naar het andere apparaat transporteerde. Vanuit onze huidige visie op natuurwerkingen echt magiërswerk. Zijn motor (zie afbeelding) zette hij aan door vanuit een andere kamer op een trompet een toon te blazen, waarna de boel in beweging begon te komen. Zijn machines bleken echter niet stabiel in gebruik, en uiteindelijk is hij dan ook van charlatanerie beticht, net als de andere drie.
Zijn uitgangspunt was dat alles, van God tot het kleinste (materie)deeltje, klank was in een bepaalde trilling en oscillatie, dat is een samenstel van trillingen op grond van de al of niet samengeklonterde deeltjes die in trilling zijn. En als zodanig was hij echt een kind van zijn tijd; atomen en nog kleinere deeltjes, die nog nooit direct zijn gezien (ook nu nog niet, en zeer waarschijnlijk nooit), leven in trilling, resonantie en oscillatie. Lees je zijn wetten (dat zijn er een hoop, vrijwel alle gepostuleerd in 1888), dan kom je veel vooraannames tegen, alle gerelateerd aan het gegeven ‘alles is klank’. Geen discussie, gewoonweg poneren en dan maar doen. Zijn machine heeft hij zo’n 360 keer overgebouwd. Genoeg wilskracht dus. Maar uiteindelijk is er geen werkende machine overgebleven die los van hemzelf is gekomen en algemeen menselijk kan worden toegepast. Daarnaast heeft ook hij veel overhoop gelegen met tijdgenoten, die brood zagen in zijn werk, maar keer op keer teleurgesteld moesten worden – en hij had hen nodig om zijn leven en werk te kunnen bekostigen. De wil grijpt direct in op het economische, waar nog steeds Ahriman de touwtjes in handen heeft. Net zoals in de huidige tijd zonne-energie of waterstofgas, gewonnen uit zonnewarmte, geen economische waarde vertegenwoordigen en dus zo veel als mogelijk buiten het te monopoliseren machtssysteem worden gehouden. Reden genoeg voor regeringen en industrieën om dergelijke ontwikkelingen tegen te gaan (denk aan de moorden rond de patenten op auto’s die rijden op waterstofgas).
Waar ligt het nu aan dat, naast de economische verwikkelingen, die machines het niet doen? Mijns inziens is dat omdat Keely wel uitging van klank achter elk verschijnsel, maar niet van ritme (het door hem gepostuleerde oscillerende effect is geen ritme, maar een noodzakelijk passief gedrag van materie wanneer er zich meerdere trillingen op elkaar stapelen). In ritme uiten zich pas waarachtige levensprocessen, samen met klank, zoals reeds boven is aangegeven. De levenswereld, door de verschillende onderzoekers de ‘ether’ genoemd, bestaat uit vier soorten van vormkrachtenwerkingen, waarvan klank slechts de uitwisseling is van één ervan. Daarnaast maakt Keely zoals zovelen na hem de fout dat elektromagnetische trilling een directe op-octavering is van klanktrilling. Klanktrilling gebeurt echter in vooral de klank- en lichtether, die achter resp. water en lucht staan; elektromagnetisme is een in de materie gevallen krachtencomplex dat hooguit een afspiegeling is van iets in deze levensbereiken, maar niet direct zelf oorzaak van iets. Zo is licht iets anders dan een samenstel van elektromagnetische golven van specifieke golflengtes; licht heeft als bij-effekt elektromagnetische straling, maar is het niet. Licht speelt zich af in de lichtether, dat weeft door de lucht en dit onderhoudt. Dat werk ik in een volgende Bruisvat verder uit. De Stradermachine Verder is er nog de Stradermachine die door Rudolf Steiner is gebruikt als model voor een levenskrachtenmachine die door een van de hoofdpersonen in zijn mysteriedrama’s ooit zal kunnen worden ontwikkeld. Daar zijn enige boeken over verschenen die bol staan van de berekeningen als zou dat een mogelijkheid bieden om daadwerkelijk die levenskrachtmachine aan de praat te krijgen. Modellen, hierop gebaseerd, zijn nooit in beweging gekomen. Dit komt mijns inziens omdat het inspiratieve en intuïtieve bewustzijn dat men nodig heeft om de werkingen van levenskrachten uit de kosmos te kunnen herkennen en toe te passen, zich in inleven in processen, werken en doen kunnen ontwikkelen, niet in nadenken en berekenen. Wiskundige analyses worden losgelaten op een eindprodukt. Als er een levenskrachtenmachine ooit ontwikkeld zal worden, dan zal dat eerder vanuit het inleven en doen gebeuren, niet vanuit de berekening (een epimetheïsche benadering). Volgens mij heeft Steiner met zijn model enkel mensen die zijn voorstelling zouden zien, willen prikkelen om met vragen te komen, op grond waarvan hij samen met hen aan de slag zou kunnen gaan om daadwerkelijk zo’n machine te ontwikkelen. Het toneelmodel is dus zeer waarschijnlijk niet bedoeld om ooit te werken.
Steiner wees er verder op dat er een kring van moreel zeer verbonden mensen nodig was om zo’n machine werkelijk aan de praat te krijgen en ook te beheren. Herinner u het hierboven beschreven voorbeeld van Schauberger’s waterbanen, waarmee de Europese oerbossen in snel tempo hebben kunnen worden ontmanteld. Dit toont al aan hoe destructief een dergelijke vondst zou kunnen werken. Belangrijker is dat ieder zijn eigen techniek als innerlijk verlengstuk van zijn ontwikkelingswezen kan trachten te ontwikkelen; dan wordt ontwikkeling een item, niet dat wat ermee bereikt zal kunnen worden in de leefomgeving zonder zichzelf ermee te willen verbinden en veranderen. Enige mogelijkheden daartoe zullen in de volgende Bruisvat uiteen worden gezet. Noten 1. Over het verslag van Henry Kjellson, zie ‘In de ban van het
heelal: Kosmische invloeden op de mens’ van G.L Playfair en S. Hill,
Meulenhof 1979 (blz. 140 – 143). (Uit: Bruisvat 1, najaar 1999) Terug naar bron
Terug naar Home page
|
Zie verder:- Geesteswetenschap: * Astrosofie, astrofonie, astrognomie *
- Objectieve Kunst: * Muziek * Muziektheatergroep LaukaR Unja
- Morele techniek: * Sieraden
- Agenda
|