|
|
|
|||||||||||||
| Zintuigen en de dierenriem - een astrosofische visie door Nicolaas de Jong Wat zijn zintuigen? Welke hebben we en wat doen ze, wat kunnen we
er zelf mee doen? Waar komen we ze tegen in leven en werk, en hoe kunnen
we er bewust mee om leren gaan?
Zintuigen, onze poorten naar de wereld Elk zuchtje wind dat we voelen, elk gevoel van onbehaaglijkheid, we kunnen het niet ervaren zonder ons eerst van onze zintuigen bedienen. We steken zo in elkaar, dat we eerst de wereld in ons opnemen via de zintuigen voordat we er iets mee kunnen aanvangen. Dat gebeurt al bij de geboorte; een kind neemt als eerste een ademteug, opent zijn ogen en begint meestal te huilen, mede om een stuk houvast in zichzelf te kunnen ervaren. Daarna voert het enige maanden een slapend en dromend bestaan, en leert stap voor stap verschillende zintuigen te gebruiken door te proeven, te ruiken, te tasten en zijn ogen en aandacht te leren richten. Sommige zintuigen beginnen pas te werken wanneer het zich eerst specifieke vaardigheden heeft eigengemaakt. Zo kan een kind pas een ander mens of dier als afzonderlijk wezen onderscheiden, wanneer het eerst met de tastzin aan de huid de eigen begrenzingen heeft afgetast, en zich enigermate kan oprichten. Ook leert het pas napraten, dus woorden bewust horen, wanneer het kan kruipen en lopen. Blijkbaar moeten er eerst vaardigheden in de constitutie worden ontwikkeld voordat de waarnemingsorganen daartoe zich kunnen openen. Spraak en het herkennen van een ander wezen zijn hogere zintuigen, die zich enkel door de andere kunnen ontwikkelen. In totaal zijn ongeveer twaalf zintuigen te onderscheiden; dat zijn de vijf gangbare van horen, zien, ruiken, proeven en tasten. Daarnaast hebben we een zintuig voor warmte en koude, voor evenwicht, voor beweging, voor leven, welke zich uit in lust- en onlustgevoelens, en nog drie hogere, werkend door de andere heen; een denkzin, en de bovengenoemde spraak- en wezenszinnen. Wanneer we een verschijnsel met de zintuigen waarnemen, kunnen we hieraan gevoelsgewaarwordingen beleven, waardoor we er ons al of niet mee willen verbinden; we kunnen het overdenken en er ons een voorstelling van trachten te maken, waarbij we het toetsen aan onze meningen en vizies die zijn gegrondvest in normen en waarden, en deze voeden zich op onze idealen (wie zegt geen idealen te hebben, is niet oprecht met zichzelf, of heeft nog niet goed naar binnen gekeken). En we kunnen erdoor in beweging komen, op grond van wat we erbij voelen en denken. Uiteindelijk trachten we altijd tot een voorstelling, beeld of begrip te komen van een waargenomen situatie, ook al is dit vaak niet meer dan een flauw, dus nog weinig helder vermoeden. De kijkzin in de waarnemingen is zeer belangrijk, zo belangrijk, dat we vaak de indruk van een ander zintuig in beelden vertalen, bijvoorbeeld door deze te vergelijken met een waargenomen beeld. Zoals: "dit smaakt of ruikt naar ...". De hele cultuur is vooral gericht op het visuele. Denk maar aan affiches, TV, kleding en hun symbolentaal.
Astrosofie Wanneer je ervan uit wilt gaan dat ons leven zin heeft, een specifiek doel, dan kom je er niet onderuit aan te nemen dat zintuigen ook een zin moeten hebben. Ze zijn er niet zonder meer. We hebben ze gekregen om iets met de wereld van de verschijnselen te doen; ze in ons op te nemen en ze te begrijpen, en er vervolgens in onze daden rekening mee te houden. En daarmee vormen we ook onszelf om. Mooi komt dit naar voren in het sprookje van Vrouw Holle; wie het goede tracht te doen, wordt overspoeld met het warmtegevulde goud van het inzicht; wie niet het goede tracht te doen, wordt door pek vertroebeld, dat wil zeggen, kan niet helder meer waarnemen en overdenken. Da's duidelijke taal. Waar komen de zintuigen dan vandaan? De moderne wetenschap denkt dat het komt door ontwikkeling van en uit de materie, door een toename van complexiteit en willekeurige selectieprocessen. Kun je je weinig bij voorstellen. De esoterie behandelt het van de andere kant af, namelijk dat de mens als geest op aarde komt en zich in verschillende lichamen hult, waarbij hij de zintuigen krijgt om waar te nemen wat er in en om hem heen gebeurt, om zich te kunnen ontwikkelen, ofwel via een achterdeurtje naar het nirwana weg te vluchten. Dat laatste heeft weinig met ontwikkeling te maken, het eerste biedt betere handvatten, omdat dat de mens vanuit deze vizie ook iets met en in die verschillende lichamen kan veranderen. De astrologie meent uit overleveringen dat de mensen uit de sterren komen, en zich in lichamen hullen die afkomstig zijn van de sterren, dierenriemsterrebeelden en planeten. Wanneer je nu de handvatten van de moderne geesteswetenschap loslaat op de horoskoop, kom je een heel eind, en kun je uitspraken doen over constitutie, temperament, zielekwaliteiten, wereldvizie en lotsrichting.(1) Dit lijkt in tegenspraak met de huidige astronomie, die aanneemt dat de hemellichamen oneindig ver weg staan in verhouding tot de aarde, maar neemt niet weg dat hun werkingen merkbaar zijn; uit de bewegingen en ritmen van de planeten zijn hun kwaliteiten te herleiden.(2) De astrosofie tracht beide uiteengegroeide richtingen te verbinden met gebruikmaking van de inzichten uit de antroposofie. Een ander inzicht uit de geesteswetenschap is dat de zintuigen zijn geschonken vanuit de dierenriemsterrebeelden, en zich in ons hebben verdicht. Het zijn volgens deze vizie dus verdichte sterrenkrachten. Dan moeten ze ook in de sterrebeelden zelf als beeld, als vormtaal zijn terug te vinden. En ook dienen ze dan ontwikkelingsmogelijkheden voor ons in zich te bergen. Dit zal in het onderstaande aan de hand van de kijkzin worden beschouwd en uitgewerkt.
Kijkzin en de Steenbok - een astrosofische vizie Het sterrebeeld de Steenbok bestaat uit een centrum met twee heldere sterren, waarin twee 'benen' samenkomen, die elk aan het uiteinde een weinig omhoog zijn gekruld. Als beeld geeft het een wig-vorm met een verdichtingstendens naar het centrum toe aan. In de astrologie is bekend dat dit sterrebeeld te maken heeft met de knieën, en is daarmee het oerbeeld voor alle gewrichten. En zo is het sterrebeeld als vormgebaar ook op te vatten; twee botten die door het buigzame centrum in het midden een kracht kunnen vormen en zo bewegingen mogelijk maken. Door het aldus gelede skelet kunnen we vanuit verschillende plaatsen een verschijnsel waarnemen, en de dingen vanuit verschillende hoek beschouwen. In het starre skelet is men het meest verdicht, en enkel de gewrichten maken beweging mogelijk.
De verschijnselen in de wereld neemt men het beste waar wanneer deze het meest verdicht zijn, en wel met de kijk- en met de tastzin; men neigt met de ogen allereerst de oppervlakken af te tasten. En, vanuit een standpunt van zinvolheid bezien, achter de oppervlakken schuilen de wezens en hun werkingen die de fysieke wereld doen verschijnen. Deze werken in en vanuit een niet fysiek tastbare wereld, die zich, wanneer men erin leert waar te nemen door het innerlijke oog te openen, nogal waterig voordoet; het is de wereld van de levenskrachten. Deze laat zich nog het beste benaderen als kraakbeen, zij het veel ijler, en zonder substantie. En hierin zien we de werking van de Steenbok terugkomen als kijkzin; men neemt met de haast mineraal geworden ogen het meest verdichte waar, en kan hierdoor de wekere werkingen van de wezens erachter leren herkennen en bewustmaken, door hier vanbinnenuit een innerlijk oog voor te ontwikkelen. Daartoe dient men de nodige zachte, ongevormde onbevangenheid aan de waarnemingen tegemoet te zenden, waardoor het innerlijk oog zich uit de ziel en de levenskrachten kan ontwikkelen - het is gelegen bij de hypofyse. In de beeldtaal van het Steenbok-sterrebeeld: de ooglens vormt de verdichting, overeenkomstig het centrum met heldere sterren, en de beide krullende poten geven de zachtere levenskrachten in buiten- en binnenwereld weer. De embryonale groei van het oog is ook sprekend; vanuit de weke hersenen groeien beide naar de huid toe, en alhier vormt zich het oog aan de buitenwereld, met de starre, haast mineraal geworden lens.
De Steenbok wordt vaak afgebeeld als een wezen met hoorns en gehoefde voorpoten (dat duidt op verdichte levenskrachten) en een waterig-week, slangachtig achterlichaam. Kijkzin en bewegelijkheid, veroorzaakt door de gewrichten, zijn nauw verbonden. En in beweging toont zich het leven. De insekten tonen beide aspekten; een geleed en huidvormig verdicht skelet en grote facetogen, die enkel hoeken en bewegingen doen zien, en niet afstanden.
Nu zijn de ogen niet zomaar doorgeefluiken van de buitenwereld, want we dienen de beelden met ons gevoel te dragen om ons ermee te kunnen verbinden, we dienen ze te verwerken, er iets mee te doen in ons beeld van de wereld, en ze in onze handelingen te betrekken. Anders heeft het geen ontwikkelingsmogelijkheid, en sleept men het waargenomene als onverwerkte woekeringen met zich mee. Wat we meestal doen, zij het onbewust, is dat wat we waarnemen, te toetsen aan ons gevoel voor waarheid en aan de eigen idealen, kortom ons geweten, ook al is men zich daar niet altijd volledig van bewust. Dat heeft tot gevolg dat we, wanneer we verantwoordelijkheid durven te nemen voor de plaats of situatie waarin we ons bevinden, we om oprecht aan onszelf te blijven, soms dingen moeten doen die vanuit de eigen idealen gezien, recht doen aan de situatie. Dat is vaak impopulair, want de wereld blijft liever zoals hij is, en men dient er moed voor te ontwikkelen, want het kan ons de eigen plaats en gezichtsverlies kosten. Moed is een deugd die men kan ontwikkelen, dat wil zeggen een gebaar dat we keer op keer vanuit een individueel besluit dienen uit te voeren door ons zielsmatig, vanuit het gevoel met de situatie te verbinden. Door middel van wat de kijkzin ons biedt, kunnen we de moed tot een daad keer op keer ontwikkelen, en daaruit ontstaat de kracht tot verlossing van onwaarachtige of onrechtvaardige toestanden en van zichzelf eruit. Dat dit niet altijd lukt, is daarbij niet zo belangrijk; de poging tot het ontwikkelen van moed schept de verlosserskracht. En dit is wat bij Steenbokmensen op kan vallen. Ze zijn vaak ambitieus, willen een zekere verantwoordelijke positie in het sociale verkeer, binnen een gezin of in het werkleven, maar ze worden keer op keer voor de keus gesteld om hun moed te tonen door impopulaire daden te verrichten die recht doen aan de situatie. En vaak schrikken ze voor de konsekwenties hiervan terug.(3)
Daar men een waarneming in de ziel dient te verwerken, is het goed om na te gaan wat de invloed is van de eigen voorstellingen, gevoelens en stemmingen op de kijkindruk. Daartoe dienen de volgende aangaven. 1. Kijk enige tijd intensief naar een rood vlak op wit papier en sluit
de ogen. 2. Houdt een stuk plastic folie of een zonnebril voor uw ogen in een
specifieke kleur en loop hier enige tijd mee rond, of voer er uw werkzaamheden
mee uit. Vervolgens tracht u dit enige tijd zonder kleur te doen, en dan
met een andere gekleurde bril of stuk plastic folie. 3. Neem een prisma en beschouw hiermee de overgangslijn van een zwart
vlak op wit papier. U ziet dan de regenboog ontstaan. Wat u waarneemt,
is het spel van licht, bewustzijn, wanneer dit valt in de duisternis,
materie; uit dit spel ontstaan de kleuren. Op eendere wijze roepen waargenomen
vormen, dat zijn de kontoeren van materie, bij u gevoelens op, omdat deze
de innerlijke uitwerkingen zijn van wat in de buitenwereld de kleuren
vormen in de atmosfeer. 4. Stelt u zich een violette citroen voor, en vervolgens een rode, en
tracht na te gaan hoe die smaakt. Klopt dit met uw beeld van de citroen?
Is het dan nog een citroen?
5. Beschouw de afbeelding hierboven Deze lijkt op een inspriraliserende lijn, bestaat echter uit cirkels. U ziet hieruit hoezeer u geneigd bent met de eigen voorstellingen en vooronderstellingen het beeld al denkend in te vullen, zonder werkelijk onbevangen het beeld zelf te zien. Denken en kijken hangen nauw samen, net zoals het oog uit de hersenen voortkomt.
6. Een echte verdieping in de eigen lichamelijkheden van leven, ziel en wilslagen waarin de geest zich nestelt, geeft de volgende serie opdracht (deze kunnen bij elk van de zintuigen worden toegepast). Men neemt een zeker verschijnsel of beeld waar met de ogen, en gaat vervolgens al observerend de volgende gewaarwordingen in zichzelf na: -Welke indruk gaat de weg door het eigen wezen. Deze zes stappen van innerlijke observatie die de zintuigindruk door u heen maakt, kunnen ook worden uitgeboetseerd in klei (witte chamotte is hier goed voor). Daarmee objektiveert u de waarnemingen en kan al doende aanvoelen of ze kloppen. Tevens kan men de weg in de eigen wezensdelen, lichamelijkheden leren onderscheiden, waardoor men al doende naar binnen leert kijken en de handvatten tot die lichamelijkheden kan ontwikkelen.(5) De eerste stap leidt tot het levenslichaam, waarin de zintuigindruk zijn weg vindt; het zenuwstelsel neemt die weg waar. De tweede openbaart een werking van het astraal- ofwel zielelichaam. De derde, mits als ruimte uitgevormd, kan leiden tot het orgaan waarin de ziel en vooral dit specifieke gevoel als stemming is gegrond. De vierde stap is een wilswerking achter het verschijnsel, de vijfde voert tot de wilswerkingen in het eigen wezen; beide zijn in de levenswereld gegrond, voeden zich vanuit de warmte. De zesde voert tot het innerlijk gebaar dat men voor de ontwikkeling van een deugd dient te maken, omdat men bewust met de ziel en het bewustzijn in de daad, gegrond in het leven, dient te komen voordat het een automatisme, een goede gewoonte is geworden. De stappen kunnen dus leiden tot zelfinzicht in verhouding tot de buitenwereld. Noten 1. Zie het boek Karmische Astrosofie, Rune-uitgave 1996. (Bruisvat 0, voorjaar 1999) Terug naar bron
Terug naar Home page
|
Zie verder:- Geesteswetenschap: * Astrosofie, astrofonie, astrognomie *
- Objectieve Kunst: * Muziek * Muziektheatergroep LaukaR Unja
- Morele techniek: * Sieraden
- Agenda
|