|
Muziektheaterspel EENS
Een Ode aan de uurgeesten van de dag,
Aan de kleuren in de atmosfeer
die de ziel van de aarde vullen,
Aan de elementalen van hoog tot laag
die de natuur in al haar pracht
doen oplichten en onderhouden
Een muziek-theaterspel van
Nicolaas Marius de Jong
ingevuld, bewerkt en uitgevoerd
door
muziektheatergroep LaukaR
Unja
Muziek die de binnen- en buitenwereld aftast
Première: Zondag 19 September
2010, 15 - 21.30 uur: Cultureel Centrum Orion,Wollefoppenweg
74, Rotterdam-Zevenkamp.
Volgende voorstellingen:
29 Oktober 15 - 21.30 uur: Geert
Groote School, eurythmiezaal; Hygieaplein 47, Amsterdam-Zuid
18 November 15 - 21.30 uur:Het
Dagelijks Bestaan, Veerstraat 7, Zutphen
10 Februari 2011 15 - 21.30 uur:
De Vijfsprong, Vorden (Gld)
Deze groep is ontstaan uit
een wens om muziektheater te ontwikkelen waarbij de innerlijke fysiologie
van de mens en de werkingen in de natuur met elkaar kunnen worden verbonden,
zodat beide kunnen worden onderzocht. Uitgangspunt vormt een vorm van
sterrenwijsheid, de astrosofie, die mogelijkheden biedt tot innerlijk
onderzoek door middel van klank; het wordt dan tot astrofonie.
De groep bestaat uit acht leden, die musiceren, acteren en bewegen.
Het repertoire is in opbouw.
Leden:
Marion Groenendal; zang, akteren (de Avond)
Nicolaas de Jong; zang, gitaar, lier
Herman van Mal, viool, altviool
Henny Polwijk, zang
Elbert Slikkeveer; zang, akteren (de Morgen)
Angelique Steensma; zang
Patrick Steensma; zang, buisxylofoon, beweging
Cisca van der Straaten; zang, beweging, dwarsfluit, zang
Over
de methode
Genoemde astrofonie en klankfenomenologie
zijn ontwikkeld uit het vierledige mensbeeld, dat wil zeggen toepassing
van het inzicht in de vier lichame-lijkheden van de mens; zijn geest,
ziel, levenskrachten- en fysieke lichaam. Deze hebben elk een afspiegeling
in het muzikale; als respectievelijk muzikale motieven, als tonaliteit,
in ritmische differentiaties en in maatsoorten. Basis vormen de bewegingen
van sterren en planeten langs de dierenriem, en hun uitwerkingen binnen
de mens.
De werkingen kan men zich op kunstzinnige wijze inleven. Erin doen biedt
mogelijkheden tot de ontwikkeling van een vorm van objektieve kunst.
Nicolaas de Jong heeft deze methode ontwikkeld als voortzettingen van
het werk van Goethe, Steiner en Collot ‘d Herbois. Naast de muziekstukken
schrijft hij muziektheaterstukken, theoretische verhandelingen over de
achter-gronden van de methode, en geeft hij scholingskursussen in zang
en boetseren waarin de levenswereld in en om de mens kan worden onderzocht,
doordat men er de innerlijke waarnemingsorganen voor kan leren ontwikkelen.
Dit in de Jaspis-leergangen. Daarnaast ontwikkelt hij muziekinstrumenten
die de werkingen van sterren en planeten beleefbaar trachten te maken.
Over ‘Eens’
’Eens’ is ontstaan
uit een gedicht over de samenspraak tussen ochtend en avond die elkaar
eens weer zullen ontmoeten in een eeuwige dag. Dit is vervolgens verder
uitgewerkt:
Beide leiden elkaar vervolgens door de verschillende uren van dag en nacht
heen en proberen elkaar te zoeken.
Het tweede deel begint met een zielsmatige strijd tussenbeide die de kleuren
van de regenboog doorloopt, waarbij ze elkaar wederzijds aantrekken en
ook weer afstoten.
Het derde deel voert door de elementrijken van de aarde waarin ze elkaar
trachten terug te vinden, en de elementalen, de natuurgeesten die daarin
werkzaam zijn.
Zo ontstaat een oproep aan de toehoorder om door waarneming door de zintuigen
heen weer de licht- en donkerzijde van zijn of haar ziel in zich te kunnen
verenen, net als de ochtend en de avond.
Achtergronden van de composities
vormen de astrofonische uitwerkingen die de kosmische werkingen van sterren
en planeten vanuit hun verbinding in de mens benaderen. Ook de (dubbele)
uren van de dag hangen samen met specifieke kosmisch-menselijke muzikale
werkingen. Dit om een zo groot mogelijke objectiviteit te willen benaderen;
de methode is die van objectieve kunst (zie voor astrofonie en objectieve
kunst de boekenlijst achterin).
De stemmingen van de uren van
de dag worden improviserend gezongen door de groepsleden, en ook het publiek
wordt uitgenodigd hieraan zingend-beeldvormend mee te doen.
Hieronder volgen de globale
teksten van het muziekstuk; ook wordt telkens aangegeven welke uur-improvisatie
er wordt gezongen (de genoemde uren zijn ideaal-uren, die enkel rond herfst-
en lentepunt als zodanig op die tijd zijn te beleven, met terugrekening
van de zomertijd naar werkelijke kloktijd). In vet cursief is telkens
de improvisatie aangegeven.
Muzieksamples Eens
deel 1 :
1.
Refrein
8.
Achter de oppervlakken
9.
Hoor!

EENS
DEEL EEN
Refrein(avond):
“Eens” zei de avond
tot de morgen
“zal ik weer bij je komen,
zal ik weer bij je zijn
als de dagen zijn vervlogen
en het licht van onze ogen aan de hemel
zich verenigen mag
tot een innerlijk schijnende glans
als van een eeuwige dag.”
Zangimprovisatie van het eerste ochtendgloren vol beloften
voor de komende dag (6 uur).
1. (morgen) “Ken
je dan van de zon de wisselende dans van de seizoenen
die haar voeren langs de hemelboog
en de stemmingen en daden op de aarde bepalen?
Ken je dan van de maan de stemmingen der dagen
die een maand tot een hemel of een hel aaneenrijgen doen
-al naar gelang je haar toelaat voort te schuiven
en meebeweegt met haar gemoed?
Ken je dan de kadans van de uren
die de dag zijn zin geven doet
en je doen waken of verslapen
te weten wat je tot die vereniging zoal doen moet?
Refrein (avond)
2. (morgen) Ken
je dan van de kleuren
hun spel dat zich weeft om de aarde heen?
Weet je daar balans in te houden
of spoel je nog mee met elke nieuwe gril
die zijn weg wil?
3. Ken je al van de winden
de krachten die zij brengen met zich voort
en de vormen der verschijnselen inbinden
uit het spel van elementen
tusssen hen in?
En al wat jij moet doen om deze om te polen?
Ken je het weven van hun spoor tot een nieuw geheel?
En aanschouwde je reeds de wezens
in hun werken en weven aan de schoot
van de aarde?”
4.(avond) “Nee”
zei de avond, “maar leren wil ik graag
van je vurige krachten,
want om tot je ooit te komen
ben ik vervuld
als het licht van het ochtendgloren
dat zich vormt en zich verbreidt op ieder uur
uit de krachten van de koude nacht
tot aan het stralende licht van het middaguur
op de dag, dat weer neigt naar het waterig natuur
van mijn avondglans,
als de dag de adem inhoudt
voor het vallen van de nacht
vol avontuur.”
5.(koor) Achter
de oppervlakken van de dingen
weven boetserende handen
om de levenstrekken van de wezens
in te tomen
en op aarde aan het licht te doen zijn;
In de vormen der verschijnselen bieden zij houvast
om op zinvolle wijze, uit een frank en vrij gemoed,
de weg weer door de warmte naar het licht
terug te kunnen vinden
door de hartekracht,
opdat goed moge worden in de duisternis
al wat uit wijsheid van het licht ooit is ontstaan.
Na de volgende strofen klinken ingeleefde zangimprovisaties
die de stemmingen der uren uitdrukken:
6.(morgen) “Ken
je de geest van mijn ochtendgloren
die de morgen met zich voert;
gehuld in nevelen van blauwig rose
die hij weeft en zo inhult de zon
vol beloften, verwekkend de dag
met bazuinengeschal uit de schoot
van de nacht – zonnegoud.
Knisperend fris is de dauw op de velden
van de adem der aarde die haar blij begroet
-Een nieuwe dag! Volbeloften als blauwroze sluieren
waardoorheen Eos de zonne voert en draagt;
Eos is de naam van de wekker van het ochtendgloren.
Zangimprovisatie van ontluikend ochtendgloren, waarin wensen
van de nacht voor de nieuwe dag zich ontvouwen en de natuur inademt (8
uur ’s ochtends).
7. (morgen) En
als de zonne is gebracht, het daglicht zich verbreidt,
dan wordt eenieder opgewekt te doen wat hij al doen moet.
De laatste nevels slechten zich, de kleurenpracht lost op
in blauw, de koepel van de hemel die de sterrenpracht verbergt
en stralen laat het geel-groen voor de fris verheven koninklijke zon.
’t Is Deiblos, de ordenende geest van deze kracht
-het uur van het ontwaken uit de sluimerende mantel van de nacht
Ontwaak! Laat blijdschap tot u toe!
Laat Deiblos met zijn vreugdevol verlangen
naar vervulling in u doen!
-De hoop op de vervulling van verlangen door de liefde tot het doen.
Laat hoop dit uur verspreken met de moed om voort te gaan
naar uw liefdesgloed, o avond; met spoed!
Zangimprovisatie van bloeien van de wilsimpulsen en de ontmoetingen
die deze aangaan in het volle licht (10 uur ’s ochtends).
8. Als de dag is gezaaid en
verlicht elke hoek,
als de schaduw van berg, boom en glooiïng zich kort,
bespeelt Verel zijn vedel en breit al wat beweegt
tot een aloverkoepeld geheel met zijn spel,
dat verweeft wat beweegt aan de hemel als beeld
met het streven van ieder belevendigd wezen op aarde,
in lucht en in zee.
Bespeelt Verel zijn vedel en breit met zijn spel
heel de hemel en aarde tot eén.
Zangimprovisatie van de middag, wanneer alles wat is gewenst
en in kiem was, is uitgevormd aan het licht; de zon staat stil en de aarde
houdt de adem in (12 uur middag).
9. Dan houdt de zon remmend
zich in,
kijkt achterom; ochtend verging.
Weg vluchtten schim, nacht’lijk gespin.
Stil houdt de lucht de adem in:
al wat bestreeft vormt zich aan ’t licht,
werk houdt zich stil – zon houdt gericht.
Neigt zich daarop door naar de kim;
avond in zicht.
Terugkijkend eerst, dan weer vooruit; zo werkt Orind’,
zo richt Orinde de middag in.
Schrijd nu verder. Laat de
middag zich bereiden
lot de avond, op de nacht;
laat de ochtend nu zijn krachten doen verlossen
tot de avond, tot de nacht
met Orinde;
geef de kracht tot de aanzet naar de nacht.
Zangimprovisatie van het op gang komen van de middag, als
de zon weer gaat dalen, de lunchpauze over is en de natuur weer tot leven
komt; de nog niet afgewerkte impulsen van de ochtend verder af willen
werken (14 uur).
10. De warmte van daden, de
warmte van zonne neemt toe
door nieuwe impulsen, die fluistert je toe de stille Odilia,
met warmte, in ’t oor,
wat werk doet hervatten door namiddag–vuur.
Met spoed te verbeet’ren wat zon heeft gevormd
dat straks kan verweven met nacht’lijk getier.
Neem op weer uw werken en richt ze op waar
geweten doet spreken, ontwikk’ling u lonkt.
Laat stille Odilia weer spreken ’t gemoed.
Licht op haar uit zwijgen en doe wat u voelt.
Avond komt naderbij; richt
u op wat uw hart voelt als goed.
Zangimprovisatie van namiddagbroeien dat vermindert; de grootste
warmte van de dag neemt af, en men wil de dingen die nog niet af zijn,.
Gaan afron-den tot de avond komt. Er heerst een verlangen naar de avondrust.
(16 uur)
11. Broeien met Briocha doet
het late middaguur;
dikke zonnestralen maken landerig van duur
al wat eerst door streven tot het leven wekte;
Oplossend wat niet meer voor het donker wordt gehaald
om te bestreven.
Taai wordt nu wat eens zo vurig groeide uit de wensen.
Kom: maak af! Eindig nu wat liggen blijve
voor een nieuwe dag,
richt nu uw bestrevingen op vallen van de avond en de nacht.
Avond! Morgen ijlt u tegemoet door de uren van de dag.
Ieder uur verwijlt zich om te komen tot de nachte
-zo kom ik tot u aangesneld en ochtend zoekt de avondstond’-
als ruste en vervulling in haar sluimerende pracht!”
Zangimprovisatie van invallende schemering met zijn vele
kleuren en uitzwermende vogels (18 uur).
12.(avond)”Zoals
de koude van de noorderwind Boreas
die de vormen doet verstarren
een diep verlangen heeft naar de zuidelijke warmte
van de zonnegloed, gebracht door Australis, de zuiderwind,
zo verlang ik naar uw glorende droge natuur
die uw komst bereidt en ervan verkondigt;
die mij vervullen kan het vocht van mijn gemoed
met de natte westenwinden, versproeiend over het land,
vanwaar ik wacht op u.
Zoals uit droogte en koude
zich de aarde weeft
als verstilling,
en uit vochtige koude het water;
zoals uit warmte en vocht zich de lucht verdicht
waarin het licht de regenboog weeft
die de aarde verbindt met de hemel,
zo wordt mijn warmte voor u
met de droogte van uw oostelijke gloren
tot een innerlijk vuur voor u
en houd ik gespannen de adem in
om tot u in te kunnen keren.
13. Dansend door schemering
van avondlucht
als een troep vogels voor ’t valende licht
van de zinkende zon die de ruimte doorweven,
zo weeft Aljoemba de vruchten der dag
met beloften van worden door de nacht
tot een mijm’rende stemming toebedacht:
Hunk’rend naar ochtendgloed
door wat de nachtwereld wemelen doet:
Innig bestreef ik gevoelvol te uiten
wat leeft in mij,
laat mij beleven wat woelt in u rond;
laat mij toch zoeken wat duister beweegt in u,
ik zal het dragen door duistere nacht.
Ik zoek te dragen wat broedt u onder het hart.
Laat met Aljoemba mij zoeken te naad’ren u
door ieder uur dat de duisternis spreekt.
Zangimprovisatie van op gang komende bedrijvigheid en omhullende
rust van de sterbezaaide avondlucht buiten, waarbij de natuur tot rust
is gekomen en enkel de nachtdieren ontwaken (20 uur).
14, Het duister valt met sterrenpracht,
de mantel door Jablon gebracht,
verwevend alle aardse vruchten met de nacht.
Keer in tot zijn bestrevingen, verwevingen,
vindt sporen van verweez’lijking die leven in u voort
van de dag tot de nacht, als kind’ren liggen op eén oor
en luist’ren en bewegen met de ademende sterrenpracht,
de sterrenkracht in zich.
Beluister met Jablon wat weeft in duister van uw bron”.
15.(morgen)
“Ik zoek
de dag met zijn glorend-helder sproeien
van het licht over alles heen
dat verschijnen wil voor het zonnelicht
dat verdicht en vormt. Zo wil ik langs
de stralende buitenkant van de wereld.”
Zangimprovisatie van intense sterrenhemel die zo open is
dat men er makkelijk in wordt meegezogen naar zijn thuisoord. Diepe stilte
van de vallende nacht (22 uur).
16.(avond)“Laat
je voeren tot de sterren, tot het duister
naar wat wil in je worden;
Laat het spreken uit het donker met Daran.
Laat hem sluiten voor de lichtgloed.
Laat hem oop’nen voor de nacht
met wat woelend uit het duister wil verschijnen
in je hart; laat je leiden door Daran,
geef je over aan Daran.
Hoor hem fluist’ren schone tonen in je hart.
Hoor! Hemel opent door je hart heen;
Stel het open, laat me toe!
‘k Kom je zoeken in de tonen van je harte, je gemoed.”
17(morgen)
“Laat de
dag mij genoeg zijn de weg te bereiden,
t zonlicht straalt je beloften vooruit!
Ik zoek de dag . . . (als 15)”
18.(avond)
“Daran toont je sterrewegen,
sluit hem in je hart!
Straks is er geen weg terug meer,
duister aan het daglicht breekt zich baan!
Geef je aan de binnenzijde,
geef je aan Daran nu ’t nog kan!
Zangimprovisatie van middernacht, als de deuren naar de duisternis
zijn opengezet en de nacht op zijn diepst is. Gewoel van schimmige wezens
op aarde (24 uur).
Als het duister is gekomen
houdt de nacht zijn adem in,
met de stilte middernacht wordt er een nieuwe dag beklonken,
wordt er een nieuwe dag gebracht;
wordt geboren uit het duister, uit Ouomo’s hellegloed
nu het zonlicht lijkt verdwenen, nu de zon het diepste weg is,
is er niet meer te ontkomen aan ’t gewemel van de wezens
die het licht de rug toekeren, die het daglicht schuwen zich.
Laat u leren door hun schijnsel, laat u leren door hun tronie
hoe de ochtend zich verenigt met de avond door de nacht.
Laat Ouomo u beleren hoe u omvormt door de nacht
wat verworden in u huishoudt,
wat verworden in u woedt
en weerhoudt dat u kunt komen van de avond
tot de nieuwe dag.”
19. Herhaling 17,
echter weifelender (morgen) . “Ik
zoek de dag . . .”
Zangimprovisatie van de oude nacht, als men het diepste in
slaap is en het dichtse bij zijn thuisoord, terwijl de duisternis op aarde
vermindert (2 uur).
20.(avond)
“Laat in u verbinden de
nachtwereld wevend met hope
om gloren van de dag! Marvikh komt,
Marvikh weeft en brengt mij tot u door
de hoop van de avond die zeker volhardend
zijn trouw in u zoekt van het gloren der dageraad
waarin u verweeft en verschijnt aan het licht.
Laat weven nu Marvikh de klankharmonie van de nacht
die bestreeft tot de dag.
De ritmische adem die hoop wekt voor later,
verbindend de nacht met het daglicht dat komt to u toe.
De ochtend is vroeg, maar weet dat gij eens komt uit
sluimeren stralend te voorschijn tot dageraad,
tot gloed, door Marvikh.”
21.(morgen)
“Ik zoek
u nader door de dag die gloort en belooft . . . (als 15)”
Zangimprovisatie van het eerste gloren aan de hemel, waardoor
de nacht minder dik wordt en we verwerken wat we uit de sterrenwereld
in de slaap hebben meegenomen. De nachtdieren zoeken hun holen, de vogels
beginnen te ontwaken en de sterrenmantel wordt ijler (4 uur).
22.(avond)“Diep
werkt nu door wat deze nacht maakte als spoor
van vrucht der dag met hellespoor.
Doebos brengt zacht het hemelskoor
dat zich bereidt op komst der dag;
’t eerst’ hemels gloor.
Laat mij dit spoor reiken tot u,
o ochtendvorst.
Dat zich verdicht’ wat in de nacht
u is gebracht aan gewicht.
Kom, maak u op, zet u in’t gelid
voor onze ontmoeting.
Neem toch mijn vrucht van deze nacht!”
23.(morgen)“Ik
zoek de dag . . . (hard en stevig)
DEEL TWEE
Bij de volgensde dialogen in samenzang worden de kleuren
als bewegingen naar elkaar uitgevoerd door de dansers. Tevens worden deze
als decor geprojecteerd.
23.(morgen)
“Ik zoek
de dag . . .
Neem mijn vuurrode gloren dat alles bestraalt en vernieuwt
als het offer uit eerbied om tot je te komen
met alle krachten als beloften die je aanstormen
vol avontuur – maar via het licht van het middaguur.
Het vermiljoen is de kleur
Van mijn avondverlangen naar jouw schemering (herhaald).
Rood, stralend vermiljoen, mijn
verlangensgloed (herhaald)”.
(avond)“Wevend
je sluieren van avondnevelen,
mauve inhullend je stralende krans;
Als een maanbeschenen sneeuwlandschap,
het violet der maan wordt mauve op de sneeuw die je inhult.
Inhullend mauve sluieren als
op sneeuw,
Maanlicht wordt mauve sluier,
mauve sluier, de maanbeschenen (herhaald).”
(Zangspel van vermiljoenrood en mauve dat overgaat in scharlaken
– indigo)
24.(morgen)
“Je drukt
mijn rode ochtendgloren weg in duisternis;
scharlaken wordt mijn eens zo stralend morgenrood
gesmoord door avondgloed
als wolken in de avondlucht
beschenen door de ondergaande zon;
je leidt me tot de nacht
-en ik keer in, in weerwil van mijn streven . . .
Scharlaken is de haardracht
van mijn kiemgesmoorde ochtendgloed, (herhaald)
Scharlaken is de wens tot hereniging
(herhaald).”
(avond) “Ik
hul je in mijn sterrenkleed van diepe duisternis
- de maan die zich verkeren doet met donkerte gevuld –
de warmte van mijn liefde zal je brengen tot
de innerlijke bronnen van je wezen aan het licht.
Geleidend zo je stromen tot de inzichten van wezen.
Orgelend indigoblauw die je
inhult als een manteling (herhaald).”
(Zangspel van scharlaken en indigo, dat overgaat in karmijn
- kobaltblauw)
25. (morgen)
“Diep gesmoord
wordt mijn stralende glans.
Ochtendlicht wordt gedrenkt met de gloed
Duisternis, vlokkend uit wolkenstreep,
rood verwordt ronnend bloed.
Rust keert in ochtendspoed –ronnend bloed rode gloed.
Zacht ronnend rood schiet omhoog,
bindend (herhaald)”
(avond) “Laat
mij blauwend je omhullen
neem de vrijheid tot bespieg’ling;
laat je vuurgloed zich verbreiden
in mijn mantelende ruimte
hemelsblauw.
‘k Zal je dragen met mijn mantel hemelsblauw.
Hemelsblauw, sprankelend toe
(herhaald)
Einder, tot aan de einder opent zich aan de (herhaald).”
(Zangspel van karmijnrood en kobaltblauw, overgaand in turquise
– groen met magenta)
26. (morgen)
”Dromende
gloed vult mijn gemoed
als middaguur zonne staat stil;
blauwrose zoet vult mijn gemoed,
droomrose zoet, rose gloed vult mijn gemoed,
ademend zwelgen in de lucht (herhaald).”
(avond)“Kom
tot inzicht in je dromen,
laat tot wakker inzicht komen
als het klaarlicht helder groen
van de lente bladerpracht;
Laat het schijnen in de nacht
- laat het stromen in je aad’ren
helder groen! Inzichtskracht.
Heldergoen je inzichtskracht
die doordringend in het water en in lucht
snijdend trekt een diepe vore (herhaald)”
(zangspel van magenta-viridiaangroen dat overgaat in lichtviolet
en geel via geelgroen)
27. (morgen)
“Licht diffuus
stroomt het licht
in de droom van de dag tot mij in.
Laat mij zien wat zich vormt
in de kiem lichtend violet.
Laat mij zien al wat kiemt
lichtend violet.
Het violet omvormend duisternis
(herhaald).”
(avond) “Laat
dansen in lichtglans
wat vormt zich aan ’t licht van uw innerlijk broeden,
uw inner lijk schijnen, geelgroenig bewegend
naar ’t licht. Als dansende sluiers voor ’t zonlicht.
Laat geel nu verschijnen uw inzichten rijpend
naar ’t licht.”
(Zangspel van lichtviolet – geel, overgaand in violet
– oranje)
28. (morgen)
“Zacht brengt
mij tot inkeer wat in beeld verschijnen mag
van de dikke sluier op de vormen van de dag.
Enkel aan de randen blijven toont me wel de pracht
maar niet de krachten die het tot bestaan drijven.
Die wil ik nu zoeken in het duister violet
dat mij de weg biedt
te gaan zoeken naar hun oorsprong
als een dolende in de nacht
zijn bronne zoekt om op te lichten,
om te zoeken inzicht door geduldig zich beheersen
en zijn stralengloed naarbinnen keren,
als de nevelen der avond
die de duisternis verzoeken
zich te vindenen verbinden
door de nacht-zonnegloed.
Nachtzonnegloed – van violet.
Streven naar voorbij de einder is wat ik zoek.
Dolend in een nacht van violet
(herhaald).”
(avond) “Geel
keert zich in, rood welt de wil
uit inzichtskracht, komend in ’t hart;
oranje spreidt, oranje breidt,
oranje strijdt om helderheid
en duisternis, enthousiasmeert
als na een bui zonne zich neigt
naar kimme toe, maar zich verheugd
stralend verspreidt oranje gloed,
blij in ’t gemoed. Wetend dat licht
eeuwig het wint van duisternis.
Rood wordt de gloed van ’t morgenlicht
dat zich verspreide; zoek ik u weer,
gij ochtendgloed, keer ik weer in
tot uw gemoed. Laat mij erin,
wij zijn de wil van ochtendgloed
en inzichtslicht, opalen dag, mijn avondkracht!
Oranje gloed strijdend in ’t
gemoed (herhaald).”
(koor) Mauve,
mauve is de poort om ons bindend te verbinden (herhaald)
van de binnen- en de buitenwereld om eén te worden
door het mantelende mauve als poort.
Mauve, mauve . . .
DEEL DRIE
De zang in dialoogvorm wordt telkens voorafgegaan door een
instrumentaal of vocaal muziekspel in de elementen en elementwezens die
hen bewegen. Bewegers drukken de gebaren van de elementwerelden uit.
29. (morgen)
“ ‘k
Wil mij binden te vinden uw lichtkracht mijn vuur
door Eos en zijn gloren;
Dat zich richte tot vorm
aan uw waat’rig natuur.”
(avond) “Wevend
in avondgloed
dansen de feeën in klankharmonie
wat de ruimte vervult.
Vogels die dansen in ’t valende licht
nemen nu over dit spel vol verwondering;
Laat Aljoemba in dit schemeruur de poorte tot u vormen;
Laat u meebewegen met de dans der feeën
die betoveren kunnen
en u voeren tot mij in
- uw warmte die mee kan vormen
aan het ruimtelijke spel van de feeën
en onttover mijn schemer
en vorm met wat er opwelt uit uw glorend rode wil
met het mauve licht van mijn avondschemer,
dat alles overgiet met een betoverende sluier van duur
die de aarde zijn adem beneemt en doet houden in . . .”
30. (morgen)
“Ik wil
mijn wellend gloren nu gesmoord
in ochtendnevelen van Deiblos
de wil die zo intoomt,
opdat ik niet verdrinke in betovering van avondsluiers;
ik streef met de koning van de nymfen
die heersen over ‘t waterige rijk
naar het evenwicht in warmte en in licht
-geronnen bloed
dat is gestold al uit de warmte aan het licht
in evenwicht met de landschapsnymfen en hun heer;
bied ik uw betoverende sluieren
tegenwicht aan het rijzende daglicht
en houdt recht mijn gezicht vol vuur.”
(avond) “Laat
mij nu ontvangen wat de nymfenkoning
u in evenwichtig ochtendgloren heeft gebracht.
Kom en laat de nymfen van de bossen, weiden, meren
nu dit horen en verkonden in hun eigen woorden,
dansen zij door broeiend’ atmosfeer in late namiddag
met Briocha, de heer van dit uur;
-Violette wolken enkel aan de verre einder –
Ik wil u benaad’ren met de dans der nymfen
Die het oerbeeld brengen van wat klinkt
al uit den hoge op de aarde neer,
in weide bos en meer . . .”
31. (morgen)
“Luister
stil! Zonder wil! Naar de vedel van Verel!
Die verkondigt wat klinkt uit de wereld van ster en planeten.
Voor de noen, a;s de ochtend een spurt neemt
en wat leeft is geboeid in wat broeit en bestreeft
uit zijn nachtwil die zich wil bevrijden.
Bespeelt Verel heel stil op zijn vedel
wat de goden verkonden aan klanken
uit de kosmos, bepaald door ’t gesprek aan de hemel
van planeten naar elkaar, elk uit zijn eigen hoek.
’t Is de deva der rite die stil met zijn staf
de gevoelige plaatsen aanslaat
van de aad’mende mantel der aarde
wat hun houding en gebaar naar elkaar doen verklanken,
in harmonie en tegenspraak;
Stil! ’t Klinkt en gebaart,
’t krimpt en verwaait aan haar flanken.
Luister stil zonder wil naar deze klanken . . .
Waarnaar Verel de vingers en stok op zijn vedel doet dansen;
’t Is de deva der rite die doorgeeft naar waarde
wat de hemel verspreekt aan de aarde.”
(avond) “Ik
verdicht tot gedicht, ingespind in het licht
na de noen met de stille Odilia.
Muze spreek door dit uur met uw vuur – verwond’ring.
Weven in mijn gemoed wat zich hemel kond doet.
Muze weeft, muze spint in de lucht
wat de hemel verdicht met Odilia,
na de noene, middaguur.
Laat komen aan klanken wat
ochtend mij bracht.
Laat komen in woorden zo zoete natuur
uw wegen naar middag, kom hier . . .”
31. (morgen)
“Kom
houdt nu stil nu dat je dicht genaderd is
aan wat er wil uit morgenlicht; wat met Orind’
nu houdt gericht opdat zich zwicht
verlangend’ gril uw schemerlicht van aangezicht.
Meersters der aard – gnoomwereld licht – aloverspannend
wat toont aan ’t licht, wat is gewild;
meesters der wil rose tonen zich
in ’t middaglicht. Kom houdt u stil.
Onderwerp uw wil aan wat Pan wil.” (verstillend)
32. (avond)
“Breng tot leven in de
diepte,
in het duister van uw wil,
wat ondines doen bestreven
uit het middernacht’lijk uur;
met Ouomo doen bewegen
u tot wasdom aan het licht
-laat het groenend licht stromen in, laat het groenend licht in! –
Laat wat wemelt in uw leven
met ondines zich verheffen in het licht,
zodat evenwicht beweging brengt
waar verstillend nu uw wil is ingedikt,
door de gnomenprins gevangen
in het zonlicht van de noene – vormverdicht.
Laat geel nu verschijnen wat
komt u aan ’t licht
als eerste ochtenduren met Marvikh.
Laat in u verwijden wat sylfen u brengen in zicht.
De sylfen die weven gevoelens ineen
opdat u verbreide uw wezen verlicht
wat bevruchting bewerkte uw omkeer tot innerlijk licht.”
33. (morgen)
“ ‘k
Wil ontspruiten, ‘k wil verbreiden
wat uw stilte heeft bedongen
in de ruimte van beleving innig zicht
als kobalt dat vol deemoed, vol devotie zich richt
en omsluit als het blauw van hemelkoepel bij het daglicht
zich verdicht als het zwerke om het zonlicht,
dat zich richt als het geel van de zon.
’t Is als vuurbol die zich uitbreidt
wat de zon aan vormkracht dicht aan het licht
dat Daran brengt in de avond na het duister zich verdicht;
sterren stralen in de mantel van de hemel
- bollend licht dat wordt gehuld.”
34. (avond)
“Gnoomwereld stil, laat
mij erin,
ik schenk mijn wil, toon mij uw zin.
Open uw poort, mijn warmtezin
wil u vervullen met liefdesgloed,
vrij u geschonken uit inzichtslicht;
Doebos laat toe mij tot de kracht van aardse bron;
gnoomwereld stil toon mij uw zin, laat mij erin,
woordkracht verdicht vormt om het licht.
Woordkracht vedicht, word mij tot licht.
Oranje gloed mij opgewekt tot enthousiasme,
blauwsluier licht, laat mij tot u in
o gnomenlicht. Toon mij uw zin.”
35. (morgen)
“Als mantelende
sluierpracht indigokracht zich keert,
dan toont zich in de worsteling het oud verweerd gezicht
van de wijze in de boom, gezapig zich
te laven aan de liefde tot zijn ega,
die dromend leidt een groep van bomen,
plant en diergewemel in zijn buurt,
processen in de bomenstuurt hij feilloos tot hun doel.
Jablon die hem verhullen doet het lief’lijke gezicht
In avond als de nachte zich verdicht.
Ik wil zo tot je oop’nen wat de avond me verspreekt
Door de nacht – zonnegloed.”
Refrein: “Eens
. . .”
Voor informatie en aanvragen bel 06
- 40228769 of mail naar runewerkplaats@gmail.com
______________________
Terug naar Home
page
|